LDL-cholesterol en hypothyreoïdie
Meestal wordt dyslipidemie veroorzaakt door een combinatie van factoren zoals overgewicht, insulineresistentie, ongezonde voeding en erfelijke factoren.
Er zijn nochtans ook een aantal, weliswaar minder voorkomende, oorzaken die tot een secundaire disbalans in de cholesterolhuishouding kunnen leiden:
• Hypothyreoïdie en DM
• Nierziekten, namelijk glomerulonefritis, chronische nierinsufficiëntie en nefrotisch syndroom.
• Leverziekten, o.a. alcoholabusus.
• Medicatie, type glucocorticoïden en thiazidediuretica.
We hebben het hic et nunc louter over de rol van hypothyreoïdie in de dyslipidemiehuishouding.
Een beetje geschiedenis:
• In feite werd het verband tussen het schildklierhormoon en het lipidenspectrum al 70 jaar geleden beschreven.
• In september 1928 werd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde al voor ‘t eerst geschreven over de relatie tussen ‘de
schildklier en de stofwisseling der vetten’.
• Intussen weten we dat het schildklierhormoon een sleutelrol speelt bij de regulatie van het metabolisme, in het bijzonder met de
stofwisseling van lipiden:
o Bij hyperthyreoïdie (o.a. bij de ziekte van Graves) vindt men verlaagde cholesterolwaarden.
o Een tekort aan schildklierhormoon kan anderzijds leiden tot een dyslipidemie, gepaard gaande met endotheeldysfunctie, diastolische
hypertensie eneen verhoogd risico op hart- en vaatziekten.
Een paar cijfers:
• Bij ongeveer 12-13 % van de patiënten met hypercholesterolemie is de TSH-concentratie verhoogd.
• Als je vergelijkt met de algemene bevolking is er maar bij 2,2 % een verhoging van de TSH te vinden.
• Vaststellingen uit een studie van de Mayo Clinics bij 268 patiënten met klinische hypothyreoïdie:
o Liefst 91,4 % bleek een dyslipidemie te hebben.
o Bij 56 % ging het om een hypercholesterolemie.
o Bij 34 % betrof het een gecombineerde hypercholesterolemie.
o Slechts bij 1,5 % ging het om een geïsoleerde hypertriglyceridemie.
• Bij subklinische hypothyreoïdie, waarbij de TSHconcentratie verhoogd is terwijl de FT4-concentratie binnen de referentiewaarden ligt,
is gebleken dat een dyslipidemie alleen gevonden wordt als de TSHconcentratie hoger is dan 10 mE/l.
Pathofysiologie:
• Door een toename van de concentratie LDLcholesterol is de serumconcentratie totaal cholesterol bij hypothyreoïdie verhoogd.
• Komt door een afname van het aantal LDLreceptoren op de levercellen, waardoor de verwijdering van LDL-partikels uit de circulatie
afneemt.
• Het proces van oxidatie van de LDL-partikels is bij patiënten met hypothyreoïdie ook toegenomen, wat maakt dat deze partikels in
sterkere mate atherogeen zijn.
• Bij 20 % van de patiënten met een klinische hypothyreoïdie komt ook nog hypertensie voor.
• Bij zo’n patiënten zou de co-existentie van HT en een lipidenstoornis het proces van atherosclerose verder kunnen versnellen.
• In sommige studies werd een verhoogde concentratie triglyceriden en HDL-cholesterol gevonden, maar dit wordt niet bevestigd in
andere studies.
• Verhoging van LDL-cholesterol is specifieker voor hypothyreoïdie.
Onderzoek over de relatie met cardiovasculaire aandoeningen:
• Zowel bij klinische als bij subklinische hypothyreoïdie blijkt er een verhoogd risico te bestaan
o Volgens observationele studies zou behandeling met levothyroxine bij een TSH-concentratie hoger dan 10 mE/l tot 8 % afname van de
serumcholesterolconcentratie leiden.
o Op die manier zou bij 1 op de 95-200 patiënten theoretisch coronaire ziekte kunnen voorkomen worden, als ze 5 jaar behandeld worden.
• Er is ook gebleken dat men met name in de beginfase van de substitutietherapie bedacht moet zijn op een hogere incidentie van
cardiovasculaire aandoeningen.
o Het is nog niet gans duidelijk welke de oorzaak is, maar overbehandeling bij het starten van de therapie speelt hier mogelijk een rol.
o Immers, het schildklierhormoon zorgt voor een versterkte contractiliteit van het hart en stimuleert de cardiac output.
o Verder treedt er een stijging op van stollingsfactoren, zoals Von-Willebrandfactor en factor VIII, wat kan leiden tot
hypercoagulabiliteit.
Afwegen van efficiëntie bij gebruik van schildklierhormoon:
• Er zijn de positieve effecten op o.a. de stofwisselingssnelheid en het lipidenspectrum: theoretisch zouden deze een behandeling
bieden bij overgewicht en daarbij veel voorkomende afwijkingen zoals dyslipidemie.
• Er zijn echter ook de negatieve, thyreotoxische effecten van de behandeling met levothyroxine bij euthyreote patiënten, zoals VKF en
een versnelde botstofwisseling.
• Tot op heden wegen de positieve klanken niet op tegen de negatieve, en dus doet men momenteel onderzoek met selectief in de lever
werkzame analogen van het schildklierhormoon, die enkel de LDLreceptoren in de lever stimuleren tot het wegvangen van cholesterol
uit de circulatie, zonder de negatieve systemische effecten:
de resultaten hiermee lijken veelbelovend voor de behandeling van cardiovasculaire risicofactoren zoals overgewicht, i
nsulineresistentie, leververvetting en dyslipidemie.
Symptomatologie of juist niet?
• Bij een bepaling van het lipidenprofiel worden er een pak patiënten met hypothyreoïdie over het hoofd gezien:
hoe kan dat?
o Belangrijke reden kan zijn dat het fenotype van patiënten met een hypothyreoïdie fel gelijkt op dat van een ‘doorsnee’ patiënt met
een hoog risico op harten vaatziekten.
o Immers in beide groepen komen obesitas en HT veel voor.
• Verder kan een tekort aan schildklierhormoon leiden tot een verminderde gevoeligheid voor insuline,
waardoor DM type 2 vaker voorkomt bij patiënten met hypothyreoïdie.
o Behandeling met Metformine verlaagt de TSHconcentratie, en die keert pas terug tot gebruikelijke
waarden 3 maanden nadat patiënt met de Metformine gestopt is, wat inhoudt dat Metforminebehandeling een
hypothyreoïdie kan maskeren.
o Het valt dus aan te raden om bij patiënten die met zowel Metformine als levothyroxine behandeld worden, de
TSH- en de FT4-waarden op te volgen.
• Hypothyreoïdie wordt ook in verband gebracht met reversibele acute nierfunctiestoornissen.
o Meestal gaat het om geringe afwijkingen die binnen enkele weken na het opstarten van de substitutietherapie herstellen.
o Soms kan de schade aan de nieren echter groter zijn, zeker in combinatie met verhoogde spierafbraak.
Wisselwerking hypothyreoïdie en behandeling met een statine:
• De activiteit van het enzym HMG-CoA-reductase is bij patiënten met hypothyreoïdie afgenomen.
o Het betreft het snelheidsbepalende enzym van de cholesterolsynthese.
o Daarom zijn statinen, die in feite HMG-CoAreductaseremmers zijn, minder effectief.
Verder is het gebruik van statinen bij patiënten met een hypothyreoïdie niet ongevaarlijk.
o Hypothyreoïdie kan op zichzelf een oorzaak zijn van spontane rhabdomyolyse en nierfalen.
o Het verhoogt ook de gevoeligheid voor een statinegeïnduceerde myopathie met soms dramatische gevolgen.
Beschouwing:
lipidenstoornissen die door een tekort aan schildklierhormoon verklaard kunnen worden, zullen over het algemeen door behandeling met levothyroxine binnen 4-6 weken na het bereiken van euthyreoïdie verdwijnen.
Controleer dus altijd de schildklierfunctie bij patiënten met een dyslipidemie die gekenmerkt wordt door verhoogde concentraties LDLcholesterol.
Bron:
Ned Tijdschr Geneeskd 14 januari 2012 pag. 67-71./MCH
