Grenzen tussen ziek en gezond, vroeger en nu
Een paar stukjes:
Bij beslissingen op basis van laboratoriumuitslagen wordt de uitslag van de patiënt idealiter vergeleken met uitslagen die in niet-zieke individuen worden gevonden:
normale waarden.
Het begrip ‘normaal’ heeft meerdere betekenissen en normale waarden zijn in de loop van de vorige eeuw op verschillende wijze gedefinieerd en vastgesteld, met consequenties voor de beslissing:
‘ziek’ of ‘gezond’.
In dit artikel wordt een persoonlijke visie gegeven op de evolutie van het begrip normaal. Betoogd wordt dat een aantal mijlpalen, publicaties of technische ontwikkelingen
ons beeld van normale of referentiewaarden heeft beïnvloed.
De tijd lijkt gekomen om onze bijdrage te leveren aan de rapportage van klinisch relevante c.q. streefwaardenIk geef een voorbeeld, dat mijzelf na aan het hart ligt (22, 23).
IJzergebrek is een conditie die bij vrouwen voor de menopauze veel voorkomt.
IJzergebrek leidt bij uitgeputte voorraad tot bloedarmoede.
In Nederland heeft 1 op de 6 vrouwen een uitgeputte ijzervoorraad en 1 op de 3 tekenen van ijzertekort (24).
Als we in de hal van het centraal station gaan staan en van alle jonge vrouwen het hemoglobinegehalte meten, dan krijgen we een aardige Gauss-kromme met een ondergrens bij 7,5 mmol/l en we zeggen dat dat normaal is.
Maar intussen heeft 1/3 van die vrouwen een conditie die dat hemoglobinegehalte nadelig, laag, kan beïnvloeden.
En, gek genoeg, ik heb in de literatuur geen studie kunnen vinden waarbij ‘normale waarden’ voor hemoglobine werden bepaald waar voldoende rekening wordt gehouden met dat ijzertekort.
Een complicerende factor is dat ferritine een acutefaseeiwit is en daardoor geen goede maat voor ijzersufficiënte.
Studies over ijzersuppletie aan vrouwen registreren hemoglobinewaarden van ca. 8 mmol/l en hoger (25-27).
Ik denk dat we het met die ondergrens van 7,5 mmol/l voor hemoglobine voor vrouwen niet goed doen.
Een nog sterker voorbeeld is ferritine, een test die pas wordt aangevraagd als het Hb te laag is bevonden met het gevolg dat waarden van 5-30 μg/l worden gemeten voor vrouwen.
Veel voorkomend: ja, maar bij dergelijke ferritinewaarden is er maximaal een spoor ijzer in het beenmerg aanwezig.Een ander voorbeeld is vitamine D.
De inname daarvan zou 100 μg/dag moeten zijn om averse gevolgen van vitamine-D-deficientie te voorkomen.
De huidige aanbevolen hoeveelheid is 1,5-15 ug.
De Gezondheidsraad adviseert vitamine-D-suppletie aan zwangeren en ouderen. Huisartsen en verloskundigen weigeren in hun wijsheid daaraan gevolg te geven, omdat het nut onbewezen zou zijn. Zij staan daarin alleen.
De averse gevolgen van vitamine-D-deficiëntie staan niet meer ter discussie.
Zo worden Van der Meer et al. (32) in het American Journal of Clinical Nutrition gecorrigeerd in een commentaar van de hoofdredacteur (33).
Zij vinden in 50% van de allochtone en in 8% van de autochtone populatie vitamine-D-deficiëntie.
Dit percentage vindt de hoofdredacteur al indrukwekkend, maar hij zegt dat de werkelijke percentages nog groter zijn, omdat de gehanteerde bovengrens van normaal van 25 nmol/l achterhaald is en ca. 80 nmol/l moet zijn, vastgesteld op klinische gronden en niet op een Gauss-verdeling in de populatie zoals die in het verleden werd gebruikt.
Gehele artikel:
http://www.nvkc.nl/publicaties/document ... 05-210.pdf
Groeten, Ineke
